Verhaal over de vegetatiekenmerken en voorkomen van vochtig grasland, schraalland, blauwgrasland en in het Groene Hart rond Gouda-Reeuwijk.


Inleiding

Tot aan de 2e wereldoorlog kenmerkte  het agrarisch gebied in het Groene Hart zich door het voorkomen van een uitgestrekt areaal aan natte schraallanden en blauwgraslanden. Alleen al voor de Krimpenerwaard b.v. is berekend dat een fors deel (zo'n 10.000 hectare) toe te schrijven was als puur blauwgrasland en schraalland. De benaming voor dit type grasland staat voor graslanden die (eeuwenlang) niet of amper werd bemest. Een ander kenmerk van blauwgrasland is de relatief hoge grondwaterstand met een goede waterkwaliteit met aanstroming van kalkrijk water. Door het achterwege laten van bemesten werd de venige bodem in de loop der eeuwen steeds schraler. De vegetatie die daar op groeide viel vegetatiekundig bezien in de categorie blauwgrasland. Blauwgrasland kenmerkt zich door het voorkomen van tal van zeggensoorten gebonden aan voedselarme bodems samengaand met een fors aantal rode lijst plantensoorten als Spaanse ruiter, klokjesgentiaan, orchideeënsoorten, moeraskartelblad, kleine valeriaan en nog veel meer plantensoorten welke thans zeldzaam zijn of vrijwel verdwenen. 
Na de 1e wereldoorlog begon de landbouwkundige intensivering waardoor veel van het blauwgrasland langzaam maar zeker veranderden in nat schraalland en vochtig grasland waarin nog slechts een beperkt aantal soorten kenmerkend voor blauwgrasland domineerden. Ook in het poldergebied rond Gouda-Reeuwijk heeft dat plaatsgevonden. De intensivering is zo drastisch doorgegaan dat er momenteel nog nauwelijks gesproken kan worden van nat schraalland dat in zijn oorspronkelijkheid is overgebleven. Alleen in het blauwgrasland bij de Meije, reservaat van Staatsbosbeheer ter grootte van ca. 20 hectare, komt schraalland nog voor zoals het er vroeger uit zag. Er zijn in dit reservaat van Staatsbosbeheer op verschillende plekjes nog stukjes te vinden met goed ontwikkeld blauwgrasland. Maar ook in dit reservaat moet veel moeite gedaan worden die waarden overeind te houden.

Onderstaand ga ik daar wat verder op in.


Vegetatiekundige begrippen


Blauwgrasland

Blauwgraslanden zijn onbemeste, één keer per jaar gehooide graslanden die 's winters plasdras staan en 's zomers oppervlakkig uitdrogen. Ze danken hun naam aan de aspectbepalende blauwachtige kleur door de aanwezigheid van soorten als Pijpenstrootje, Blauwe zegge, Zeegroene zegge, Blonde zegge, Tandjesgras en Blauwe knoop. Blauwgraslanden kunnen echter ook bruin ogen door de aanwezigheid van mossen en soorten als biezenknoppen. Vertegenwoordigers op minerale bodems zijn veel bloemrijker dan hun tegenhangers op meer venige bodem. Blauwgraslanden komen voor op onbemeste, matig zure tot neutrale, vaak venige en/of lemige bodems met gebufferd grondwater. In de winter mag het waterpeil boven het maaiveld reiken, maar er mag geen overstroming met voedselrijk water plaats vinden. In de zomer drogen de standplaatsen oppervlakkig uit. 

Nat schraalland

Nat schraalland is, net als vochtig hooiland, zeer oud boerengrasland. Nat schraalland is echter minder productief en de bodem is heel slap. De graslanden zijn daardoor slecht toegankelijk, ze kunnen ’s winters onder water staan maar zullen ’s zomers oppervlakkig uitdrogen. Door jaarlijks te hooien blijft het voedselarme karakter behouden. De variatie in de graslanden is groot. Blauwgraslanden en kleine zeggenvegetaties worden tot nat schraalland gerekend. Nat schaalland kwam in het verleden algemeen voor in de grote veengebieden van Friesland, Holland en Utrecht. Uit oude beschrijvingen blijkt dat het ging om een combinatie van blauwgrasland met zeggenvegetaties. Deze blauw getinte graslanden kwamen voor met door pijpenstrootje, moerasstruisgras of echte witbol gedomineerde graslanden. Nat schraalland komt vaak in oude, maar vaak kleine reservaten voor en zijn daarom zeer gevoelig voor ingrepen in de omgeving. Verdroging, verzuring en vermesting zijn de belangrijke bedreigingen voor nat schraalland. De graslanden worden doorgaans niet bemest.

Vochtig grasland/hooiland

Vochtig hooiland komt voor op natte veen- en kleibodems met een redelijke draagkracht. Het gaat om bloemrijke graslanden, vaak geel van soorten als grote ratelaar, gewone roklaver,  moerasrolklaver, scherpe boterbloem, kruipende boterbloem en dotterbloem. Vochtig hooiland is minder zeggenrijk dan nat schraaland. Ze zijn nu niet meer interessant voor boeren door hun lage productie en eiwit-arm gewas, maar ze behoorden ooit tot de betere graslanden. Vochtige hooilanden zijn door ontginning, ontwatering en bemesting zeldzaam geworden. Deze graslanden worden jaarlijks gehooid, soms twee maal al dan niet met extensieve nabeweiding. De graslanden worden doorgaans niet bemest. Om verzuring tegen te gaan kan, bij uitzondering, ruige stalmest of bekalking toegepast worden.


Blauwgrasland Veerstalboezem Krimpenerwaard

Een kijkje in het reservaat Veerstalboezem vanaf de zuidkant.


De voormalige boezem van dertien hectare is in 1955 aangekocht door de Stichting Het Zuid-Hollands Landschap. De boezem is een van de laatste gebieden in de Krimpenerwaard waar de vegetatie grotendeels bepaald wordt door plantensoorten die kenmerkend zijn  blauwgrasland en schraalland. Onbemest en maar een keer of hooguit twee keer per jaar wordt gemaaid. Een belangrijk proefschrift over dit vegetatiekundig belangrijke gebiedje is geschreven door Professor Arie Scheygrond in de dertiger jaren van de vorige eeuw. Hij is er op gepromoveerd waardoor bescherming van dit gebied heeft plaats gevonden. Om de opslag van bomen te voorkomen worden jaarlijks zaailingen door vrijwilligers getrokken. Heb het gebied in het verleden diverse malen bezocht. De orchissoorten grote muggenorchis en welriekende nachtorchis waren de trekpleisters van het gebied in die periode. 


Over het ontstaan en de ontwikkeling van de vroegere blauwgraslanden

Blauwe zegge

Vlozegge

Op de zo rond 1000-1200 ontgonnen veenmoerassen in het Groene Hart werd in eerste instantie nog maar weinig  veeteelt bedreven maar (extensieve) akkerbouw. De pas ontgonnen venen lagen nog steeds vrij hoog boven rivierniveau en kenden nog geen probleem van wateroverlast. Die werd zo omstreeks 1400 steeds groter door het steeds verder inklinken van het veen zodat men overging tot het aanleggen van dijken en invoeren van bemaling. De akkerbouw  nam steeds verder af en daar kwam veeteelt voor in de plaats.
In het vlakke veenweidegebied van het Groene Hart was de kweldruk vanouds te laag en de weerstand van het dikke veenpakket te hoog om basenrijk grondwater tot in maaiveld te laten kwellen. In natte perioden kon men vroeger het overtollige regenwater niet snel genoeg afvoeren, zeker niet als het windstil was en de watermolens niet konden draaien. Daardoor stegen de waterstanden en veel veenpercelen overstroomden met basen- en slibhoudend, maar matig voedselarm oppervlaktewater: een mengsel van regenwater, slootwater en eventueel kwelwater. Dit oppervlaktewater was juist voldoende basenrijk en voedselarm om in combinatie met het extensieve beheer wat werd gevoerd de ontwikkeling van blauwgraslanden mogelijk te maken.

Met de komst van stoomgemalen aan het eind van de 19e eeuw werd de waterbeheersing sterk verbeterd, waardoor overstromingen nauwelijks meer voorkwamen. De blauwgraslanden/schraallanden werden weliswaar nat gehouden, maar peilverlagingen in omliggende polders leidden toch tot wegzijging onder dit soort graslanden. Er ontstonden regenwaterlenzen op die percelen, die daardoor verzuurden. Tegenwoordig treedt alleen langs sloten nog wat aanvoer van basenrijk water op, doordat slootwater in droge perioden zijdelings het veen indringt. In veel verzuurde veenweidepercelen is daardoor nog een 1 à 2 meter brede vochtige zone aanwezig met daarin nog een beperkt aantal basen minnende soorten. Om de botanische kwaliteit van schraallanden weer te herstellen is het in deze situatie minimaal nodig dat zo nu en dan weer overstroming met basen- en slibhoudend, maar matig voedselarm slootwater optreedt.


Nat- en vochtig schraalland

Nat schraalland is, net als vochtig hooiland, zeer oud boerengrasland. Nat schraalland is echter minder productief en de bodem is heel slap. De graslanden zijn daardoor slecht toegankelijk, ze kunnen 's winters onder water staan maar zullen 's zomers oppervlakkig uitdrogen. Door jaarlijks te hooien blijft het voedselarme karakter behouden. Bemesting vindt er niet plaats. De variatie in de plantenwereld is in dit soort graslanden erg groot. Blauwgraslanden en kleine zeggenvegetaties worden in de botanische wereld tot nat schraalland gerekend. Het hier en daar nog voorkomende dotterbloemhooiland, een voorbeeld ervan is de voormalige boezem in de polder Stein, wordt tot vochtig schraalland gerekend die jaarlijks worden gehooid.

Blauwgrasland

Blauwgrasland (Cirsio dissecti-Molinietum) is een associatie die valt te rekenen tot de klasse van de matig voedselrijke graslanden. een bijzonder soortenrijke plantengemeenschap van schraal nat grasland dat voorkomt op voedselarme, natte gronden, overwegend in laagveengebieden (en beekdalen). De bodem mag niet te voedselrijk dan wel te zuur zijn. Ook de vroegere blauwgraslandvegetaties in het Groene Hart waren in hun voorkomen beperkt tot voedselarme gronden met een hoge waterstand; dit in combinatie met extensief beheer. Op bodems met een drooglegging van >20 cm komen kensoorten van het blauwgrasland niet of amper voor en zeker niet op agrarisch grasland. Vrijwel al het agrarische graslandgebied in het Groene Hart wat vroeger vrij nat was heeft nu een drooglegging van 30 - 60 cm. Een uitzondering geldt voor de oevers. Veel oevers hebben een steil talud dus vrijwel geen gradiënt van nat naar vochtig.  Oevers die een langzaam oplopend talud hebben ter breedte van zo'n 2 meter zijn geschikt als groeiplaats van moerasplanten.

Oevers die in het recente verleden (en ook nu nog) erg grof gesloot worden met vijzel of slootbak hebben een vegetatie die bestaat uit het blaartrekkende boterbloem-waterpeper type met een fors aandeel liesgras. Deze percelen worden meestal intensief gebruikt.
Oevers die een extensievere vorm van onderhoud hebben zoals via maaikorfbeheer zijn begroeid met grote zeggen, gele lis, waterzuring en de laatste jaren breidt dit vegetatietype zich flink uit. Ook op oevers met agrarisch natuurbeheer. Door het maaikorfbeheer blijven de wortels beter gespaard. Zelf de dotter, vrijwel verdwenen in de polders rond Reeuwijk,  begint in dit soort oevers weer te verschijnen. Maar echte schraallandsoorten heb ik tot op heden nog maar amper spontaan zien verschijnen.

Onderstaand een kort overzicht van een paar gebiedjes rond Reeuwijk met nog resterende stukjes blauwgrasland/schraalland vanuit het verleden dan wel (op)nieuw ontwikkeld.

Dotterbloemen

Blauwe knoop


Blauwgrasland/schraalland complex langs de Meije (eigendom/beheer Staatsbosbeheer)

Een kijkje in het reservaat blauwgrasland langs de Meije. Massaal groeiend het witte veenpluis.  Het reservaat heeft een eigen hoogwaterstand t.o.v. de aangrenzende agrarisch graslanden.


Spaanse ruiter (Cirsium dissectum), een typische blauwgraslandsoort en rode lijstsoort.


Klokjesgentiaal komt nog vrij algemeen voor.
Staat ook op de rode lijst.

Het vleesetende plantje kleine zonnedauw. 
Eveneens een rode lijstsoort


Het blauwgrasland langs de Meije ligt in het laagveengebied ten westen van Utrecht noord-westelijk van het dorpje Zegveld. Het gebied bestaat uit 23 hektare schraalland en 45 hektare ontwikkelingsgebied wat zich via extensief beheer op termijn ook als schraalland (of misschien wel als blauwgrasland) moet gaan ontwikkelen. Het schraalland bestaat voor een belangrijk deel uit vegetaties met hoge natuurwaarden. Met afwisselend stukjes die te typeren zijn als blauwgrasland. Plaatselijk is het blauwgrasland slechts fragmentair ontwikkeld en eerder als schraalland te benoemen. Er komen maar liefst 14 soorten rode lijstsoorten voor. Dat zijn draadzegge, snavelzegge, spaanse ruiter, kleine- en ronde zonnedauw, stijve moerasweegbree, vlottende bies, klokjesgentiaan, waterdrieblad, borstelgras, wateraardbei, krabbenscheer, blauwe knoop en hondsviooltje. Het reservaat heeft een eigen hoogwaterpeil. Vanuit het verleden kan aangenomen worden dat de graslanden van dit reservaat nooit of slechts incidenteel bemest zijn geworden.


Kievitsbloemen en restanten van schraalland in oevers van graslanden polder Stein en Lang Roggebroek (eigendom Staatsbosbeheer)

Moerasviooltje in bloei in de polder Lang Roggebroek.


Zeegroene muur, een moerasplant die je ook niet veel meer tegen komt.
 In een paar oevers in Lang Roggebroek nog vrij algemeen voorkomend. 


Egelboterbloem. Zelfs deze ooit zo algemene soort die in vrijwel iedere extensief beheerde oever algemeen
was begint zeldzaam te worden.


De polders Stein en  Lang Roggebroek kenmerkten zich in het verleden als zeer belangrijk botanisch poldergebied waar de kievitsbloem massaal voor kwam. Om die reden zijn deze polderdelen, nu reservaat van Staatsbosbeheer,  aangewezen als Habitatrichtlijngebied Natura-2000.

In mijn jonge jaren kwam ik er graag in het voorjaar om er de vele duizenden wilde kievitsbloemen te bewonderen. Helaas is daar niet veel meer van over. De kievitsbloem is dramatisch afgenomen ondanks de herstelplannen waar  men op heeft ingezet. Ook de botanisch rijke oevers waar tot aan de jaren 70 nog stukjes nat schraalland voorkwamen met zeldzame soorten als kleine valeriaan, spaanse ruiter, moeraskartelblad, sterzegge en blauwe zegge zijn verloren gegaan.  

Lang Roggebroek was ook belangrijk voor schraallandplanten. Dank zij het boerenbedrijf van Klaas van der Heuvel, die een zeer extensief boerenbedrijf  met melkvee en varkens had en alle beheerwerkzaamheden  over een periode van 40 jaar zo'n beetje allemaal in handkracht uitvoerde.  Dank zij die extensieve bedrijfsvoering  was de biodiversiteit op de percelen groot. In het voorjaar broedden tussen de vele kievitsbloemen aanzienlijke aantallen weidevogels. In diverse oevers groeiden fraaie overblijfselen (relicten) van schraallandvegetaties. Moerasviooltje, sterzegge, veenpluis, tormentil kwamen in de oevers vrij algemeen voor. Helaas nemen de soorten gebonden aan voedselarme bodems met een wat hogere grondwaterstand steeds verder af laten  recente veldwaarnemingen zien.


Botanisch beheer op particulier cultuurgrasland nabij Reeuwijk Dorp 
door Dirk Vergeer

Bloemrijke geplagde en ingezaaide oeverstrook op perceel Vergeer.

Hoge cyperse zegge


Kleverige ogentroost. Hoort eigenlijk niet thuis in dit deel van het Groen Hart. Is met het ingezaaide zaad meegekomen.
Maar is inmiddels al verdwenen of zal dat gaan doen.


In 2000 heeft Dirk Vergeer op een langgerekt graslandperceel gelegen nabij Reeuwijk Dorp ter grootte van ca. 2,5 hectare de overstap gemaakt van agrarisch grasland naar particulier natuurbeheer. Vooraf zijn een aantal werkzaamheden uitgevoerd met als doel om binnen het graslandperceel de terreincondities te verbeteren en meer diversiteit aan te brengen. De belangrijkste ingrepen hebben bestaan uit het plaggen/verlagen van oevers, maken van plasdrasbermen  en graven van nieuwe sloten

Om wat sneller een aantal gewenste doelsoorten te krijgen is op het perceel van Vergeer de keuze gemaakt om over te gaan tot (her)introductie van zaden van schraallandplanten. Het resultaat was dat binnen een paar jaar mooie soortenrijke oevervegetaties ontstonden, zelfs al met de breedbladige orchis erin. Het vegetatiebeheer gericht op verschraling in combinatie met de herintroductie van zaden uit andere natuurgebieden heeft er inmiddels toe geleid dat er al ruim 170 soorten planten voorkomen. Daaronder ook 2 rode lijstsoorten en dat zijn breedbladige orchis en kleine ratelaar. Trosdravik, ook voorkomend, is geen rode lijstsoort maar valt wel in de categorie kwetsbare soorten welke niet algemeen zijn. Met name de geplagde vochtige tot natte oeverdelen herbergen het grootste deel van de gewenste doelsoorten (plantensoorten uit het dotterbloem-echte koekoeksbloem-type). 



Botanisch beheer oevers en graslandjes Reeuwijkse Hout (Groenalliantie SBB Zuid-Holland) via het herintroduceren van schraallandplantsoorten.

Een soort als lage zegge verschijnt als pionier op geplagde voedselarme kale vochtige bodems.


De rode lijstsoort moeraskartelblad is via herintroductie weer aanwezig in een stukje schraalland.


Het natuur- en recreatiegebied de Reeuwijkse Hout bestaat uit aangeplant loofbos waar afwisselend graslanden tussen liggen. Bij de aanleg zijn op voormalig agrarisch grasland via het afplaggen van de toplaag een paar stukjes schraalland aangelegd. Door het inzaaien van een schraallandmengsel zijn diverse plantensoorten van schrale gronden verschenen zoals  blauwe zegge, sterzegge, moeraskartelblad en spaanse ruiter. Ook is er een gagelbosje aangeplant.


Botanisch beheer natuurvriendelijke oevers van agrarische graslanden in polder Oukoop via plaggen en herintroductie planten.

Geplagde oevers in de polder Oukoop. Deels zijn de vochtige oevers ingezaaid met zaden van plantensoorten die
in het Groene Hart thuishoren. Op de foto te zien echte koekoeksbloem. Maar ook grassoorten 
zoals reukgras, en kamgras zijn al aangetroffen.


Foto links: close up van de bloeiaar van reukgras (Anthoxanthum odoratum). 
Foto rechts: close up van bloeiaar van trosdravik(bromus racemosus). Deze grassoort staat op de 
rode lijst als kwetsbaar aangeduid.



In 2011 is in het noordelijke deel van de polder Oukoop een proefveld aangelegd om te onderzoeken welke methode van natuurontwikkeling de beste kans van slagen biedt, zonder dat er een eenzijdige vegetatie ontstaat waarin Pitrus domineert. Een aantal proefvakken is aangelegd waarin diverse bewerkingen van de bodem worden beproefd en waarin verschillende soorten zaadmengsels zijn aangebracht. Ook is geëxperimenteerd  met het aanbrengen van verschillende hoogten van het maaiveld na afplaggen. Alle oevers zijn inmiddels goed begroeid geraakt met kleurige begroeiingen waarin grote ratelaar, echte Koekoeksbloem en moerasrolklaver  sterk opvallen door hun kleurpalet. Opvallend en verheugend is dat het aandeel Pitrus in de ingezaaide oeverdelen niet toeneemt, maar eerder afneemt. Vooral de ingezaaide lage oever grenzend aan het fietspad naar Driebruggen leverde in 2015 een paar leuke verrassingen op. De oever heeft door geringe drooglegging een zeer laag fosfaatgehalte, blijkt  uit recente metingen.  Plantensoorten van echt schrale omstandigheden  profiteren daar van. Dit jaar werden er verschillende minder algemene schraallandsoorten aangetroffen als Veenpluis, Lage zegge, Paddenrus, Moeraskartelblad, en Breedbladige orchis. En dat terwijl op enkele meters afstand, op het midden van het perceel gewoon een productieve grasmat aanwezig is waar de beherende agrariër een goede snede gras kan oogsten.


Botanisch beheer schraalland Put van Kruijt in de  polder Oukoop 

De Put van Kruijt in de winter. Met op de achtergrond tussen de rietstroken het schraalland.


Het schraalland gefotografeerd op 5 juli 2013 net voor  en tijdens het maaien.


De bloeiaren van hazenzegge(carex ovalis).


Sterzegge, een kenmerkende plantensoort van vochtig onbemest grasland groeit op een paar plekken 
in het schraalland bij het puttencomplex.


Botanisch beheer schraal(gras)land in de heemtuin in het natuur- en recreatiegebied de Goudse Hout

Blauwgraslandje in de heemtuin in het recreatiegebied De Goudse Hout. De foto laat zien waarom dat type grasland blauwgrasland noemde. Op de foto is duidelijk te zien dat het middendeel een beetje groen-blauwig kleurt.


Het midden van de foto is duidelijk wat blauwachtiger dan de rest veroorzaakt door het dominante voorkomen van een zeggesoort met de naam blauwe zegge (carex panicea).  Blauwe zegge hoort thuis in blauwgrasland. De meest voorkomende plantensoorten in het blauwgrasland hebben blauwe bloemen of hebben een blauwige glans, zoals de blauwe zegge. Op verschillende plaatsen in ons land wordt geprobeerd dit soort mooie bloemrijke graslanden te laten terugkeren. In de heemtuin in het Goudse Hout is dat succesvol uitgevoerd door de bovenlaag van bestaand grasland af te plaggen en diverse soorten natuurzaden kenmerkend voor blauwgrasland uit te zaaien. 


Moeraswederik.


Wateraardbei


Afwijkende genen en inzaai niet inheemse zaden

Ruim 1/3e van de ongeveer 1500 Nederlandse plantensoort staat op de Rode lijst. Meer dan 200 soorten zijn zelfs ernstig bedreigd. Daaronder veel soorten die nog niet zo lang geleden nog vrij algemeen voorkwamen. Ook met de insectenwereld gaat het niet veel beter. T.o.v. van enkele tientallen jaren geleden is de Nederlandse insectenstand met zo'n 75% afgenomen.

Veel particulieren dragen na al die onheilspellende berichten over de enorme afname van insecten een steentje bij om bijen en andere insectensoorten te helpen: ze strooien kwistig met bloemenmengsels.  Goedbedoeld maar helaas is het zo dat het enthousiasme soms helemaal verkeerd uitpakt. Insecten kunnen zelfs langzaam verhongeren door het gebruik van ‘foute’ zaden.  Een paar voorbeelden.


Korenbloem

Op diverse plaatsen zie je dat korenbloemen worden ingezaaid. Veel van de zaden daarvan zijn gekweekt ver buiten Nederland zoals in Oost-Europa.
Die uitheemse korenbloemen planten zich voort en kruisen zich vervolgens met de inheemse soort. De kans bestaat dat onze eigen korenbloemen  daardoor andere nieuwe geneneigenschappen krijgen die  niet geschikt zijn voor ons klimaat en ook niet gunstig voor insecten.

Korenbloemen worden omdat ze zulke mooie bloemen hebben  ook steeds verder  veredeld door kwekers

De blauwe korenbloem die in veel algemene mengsels voorkomt, groot en gevuld, is een exoot. Deze buitenlandse korenbloem, die uit Zuid- en Oost Europa komt, verdringt de korenbloem die van nature thuishoort in Nederland. Gevallen zaad dat in de jaren erna weer opkomt, geeft na kruisbestuiving helaas overheersing van de buitenlandse soort. Is de buitenlandse soort als akkerrand of in een bloemenweide of tuin eenmaal uitgezaaid, dan heeft de inheemse korenbloem geen kans meer. De korenbloemen van een buitenlandse herkomst of geselecteerd op enkele eigenschappen zijn vaak groter en gevuldbloemig, en alleen al door het laatste van minder waarde voor de insecten, die moeilijk of niet bij de nectar kunnen komen. Sommige cultivars zijn ook niet meer vruchtbaar, en daardoor zonder stuifmeel.



Phacelia

Phacelia in bloei.

Om iets voor de natuur te doen worden door veel mensen bloemzaden mengsels gekocht en uitgestrooid. Helaas met soorten die niet inheems zijn. Phacelia is er een van. Een soort afkomstig uit de Verenigde Staten waar veel honingbijen op af komen. Maar de honingbij is een gedomesticeerde soort die het op deze plantensoort heel goed doet, terwijl veel andere inheemse wilde bijen- en hommelsoorten deze bloemsoort amper bezoeken.


Dramatisch afname inheemse planten en insecten en inzet herstel door BIODIVERS 

Stichting Het Levend Archief

De door wetenschappers, onderzoekers en particulieren opgerichte Stichting Het Levend Archief zet zich in ter bescherming en behoud van inheemse plantensoorten. Het levend archief legt een verzameling aan van inheemse wilde bloemen zaden, die worden geconserveerd. Stichting Het Levend Archief wil de genetische diversiteit van wilde planten veilig stellen door zaden te verzamelen van inheemse plantensoorten en deze op te slaan in de Nationale Zadencollectie.

Biodivers neemt deel aan het Levend Archief (www.levendarchief.nl), een samenwerking van botanische tuinen, wetenschappers en organisaties die streven naar het behoud van de meest bedreigde soorten in Nederland, waaronder inmiddels ook vele akkerplanten en planten van bermen en dijken. Aanleiding daarvoor zijn – naast rode lijst soorten - de vele bloemenmengsels die door ecologen wel ‘carnavalsmengsels’ worden genoemd. Wel kleur, maar zonder veel natuurwaarde en met helaas een tegenovergesteld dan beoogd effect. Een decor, waar het bodemleven, de planten en de dieren niet veel aan hebben of zelfs door worden bedreigd. En het is zo goed bedoeld. Inheemse wilde bloemen zijn beter voor onze bestuivers, en onderdeel van de plantengemeenschappen hier. Als we echt willen bijdragen aan biodiversiteit, is het raadzaam te stoppen met het inzaaien van mengsels met cultivars of vanuit een ver buitenland. Juist met inheemse zaadmengsels als basis kunnen we flora en fauna weer verlevendigen en in diversiteit zien toenemen.


Biodivers Natuurzadenmengsels

Een van de ondernemingen die ook actief is voor die Stichting is het bedrijf Biodivers aan de Hoenkoopse Buurtweg van Peter en Lidewei de Groot. De Groot pacht en oogst in samenwerking met loonwerkers hooi en bloemzaden in allerlei natuurterreinen door heel Nederland. In totaal gaat het om een kleine 1000 hectare plantenrijk natuurgebied. Het bedrijf Biodivers® Natuurzadenmengsels uit Oudewater is de ecologisch adviseur en leverancier van inheemse wilde plantenzaden voor vele inzaaiprojecten op gronden van gemeenten, provincies, waterschappen, agrarische verenigingen en particuliere eigenaren. Biodivers heeft geen kwekerij maar oogst kleinschalig rechtstreeks uit de natuur.
Natuurzadenmengsels van inheemse wilde planten worden in natuurterreinen geoogst. Zaden van plantengemeenschappen die in de vrije natuur relatief zeldzaam zijn geworden, zijn als donormateriaal in de juiste verhoudingen beschikbaar.


In een loods staan honderden kunststof bakken en verspreid ook nog een aantal grote balen waarin zaden van allerlei plantensoorten uit diverse natuurterreinen.  Biodivers is het enige bedrijf in Nederland dat zaden oogst in natuurterreinen. Wat nodig is dat je allereerst veel kennis moet hebben van plantensoorten. Ook is een goede kennis van bodem noodzakelijk want veel planten zijn v.w.b. hun groeiplaats gebonden aan grondsoorten als veen. klei, zand en nog veel meer. Ook is de vochtvoorziening voor planten van zeer groot belang.


Oogsten van natuurzaden

Het oogsten van zaden gebeurt zowel handmatig als machinaal. Handmatig rijpe zaden verzamelen  is tijdrovend en kleinschalig waarbij het zaad per soort wordt verzameld.  Het tijdstip van gerijpt zijn speelt daarbij een belangrijke rol. Met name in het vegetatietype dotterbloem-echte koekoeksbloem worden soorten apart handmatig verzameld zoals minder algemene zeggensoorten. (Zie ook fotoalbum: zeggensoorten). Ook wordt genoemd vegetatietype gemaaid als het voldoende gerijpt is en in het bedrijf zelf verder gedroogd, geschoond en opgesplitst. 

Machinaal oogsten van natuurzaad gebeurt door het maaien van de vegetatie met kleine maaimachine of het oogsten van zaden uit het gewas met een kleine combine. Gewas en zaden worden verder verwerkt op het bedrijf in Oudewater.

 

 

 

 

Wat verder belangrijk is bij het oogsten van natuurzaden is dat slechts een deel van het zaad van de planten op een groeiplaats wordt verzameld. Dit om te voorkomen dat een te groot deel van gerijpte zaden wordt weggehaald.

Aar met rijpe zaden van blaaszegge.

Zaden van de plantensoort blaaszegge (carex vesicaria). Ze zijn met de hand geoogst in een natuurgebied in West-Nederland en gedroogd.

Verschil tussen normale en bio zaden

Alhoewel wat de opbrengst betreft weinig verschil is, worden normale en bio zaden op verschillende manieren geplant en geoogst. Voor het oogsten van normale zaden wordt gebruik gemaakt van machines, terwijl bio zaden vaak handmatig geoogst worden. Voordat overgegaan wordt tot het oogsten van de zaden wordt het onkruid dat tussen normale zaden groeit gedood door middel van pesticiden. Hierna krijgen de planten een groeiregulator, waardoor alle zaden tegelijkertijd rijp zijn en er slechts eenmaal geoogst hoeft te worden. Voordat de zaden in het zakje gaan worden deze bewerkt met een anti schimmel middel. Dat betekent dat er op normale zaden altijd restanten van pesticiden, anti-fungale middelen en ontbladeringsmiddel kunnen zitten.

Bij bio zaden wordt handmatig geoogst. Onkruid wordt eveneens manueel verwijderd en de oogst geschiedt in een aantal keren waardoor de zaden volgens een natuurlijk proces kunnen rijpen. Na het oogsten krijgen de zaden geen extra behandeling. Door te oogsten van sterke (streek)rassen zijn bio zaden bijzonder resistent tegen ziektes.


Om natuurzaden te selecteren wordt gebruik gemaakt van diverse machine's. Links een machine om te schonen en rechts een veegmachine die wordt gebruikt om via een veegsysteem zaden uit te selecteren. 


 

 

Het handmatig oogsten van zaden, het drogen drogen  en selecteren kost heel veel tijd. Biodivers werkt inmiddels  met diverse machine's die via het uitvoeren van een aantal handelingen tot een eindproduct komen. De machine op de foto is een zgn trieur. De trieur is een apparaat voor de schoning van zaden. Alle zaden, die oplengte of vorm van elkaar verschillen kunnen met een trieur gescheiden worden. De trieur bestaatuit een liggende, draaiende trommel met uitsparingen (kuiltjes) in de wand.


Rechts een kleine combine met de bijnaam "De Olifant". Links een kleine machine om het soortelijk gewicht van zaden te bepalen.

Nauwkeurige weegschalen om het zaad te wegen. 


Een grote schoningmachine van het merk Petkus (ooit in gebruik bij de Landbouwuniversiteit Wageningen LUW ) welke het geoogste gewas schoont en de zaden van verschillende grootte via zeefwerking selecteert

Bakjes waarin de vanuit het gewas geschoonde zaden van verschillende grootte worden opgevangen.


In de Petkus schoningsmachine worden verschillende type zeven gebruikt. Bovenzeven voor de wat grotere zaden en onderzeven
voor kleinere zaden. 


De "trieur",  schoningsmachine in werking.  
Zaden, in lengte of vorm van elkaar verschillend worden met deze machine gescheiden. De trieur bestaat uit een liggende, draaiende trommel met uitsparingen (kuiltjes) in de wand.

Het eindproduct





Korte video over een onderdeel van het bedrijfsproces


Klik op pijltje