Huismussen vroeger en nu

Er is al ruim aandacht aan besteed in de Media. Het gaat slecht met onze huismus. Steeds minder huismussen zijn te vinden rond onze huizen en boerderijen. Dat was vroeger wel anders. De huismus was de meest algemene vogel in Nederland. Hun getjilp was werkelijk op elke plek te horen. Nu moet je soms flink zoeken om een kolonietje huismussen te zien. Oorzaak van de achtergang? Allereerst zijn we te netjes geworden. Huismussen hebben een duidelijke voorkeur voor een kleinschalige, wat minder goed aangeharkte leefomgeving, welke voldoende dekking en broedgelegenheid biedt. Ook in de voedselsituatie is het een en ander veranderd. Onderstaand wordt hier verder op in gegaan.

Bij vrijwel iedere boerderij stond vroeger een kippenhok waar men kippen hield voor de leg van eieren. De kippen liepen los of, als 
ze vast zaten, werden de hokken gelucht via klapraampjes. Huis- en ringmussen konden dus in- en uitvliegen naar believen en 
profiteerden mee van het voer voor de kippen.

Mannetjes huismus op tak. Mussen zitten graag een beetje verdekt opgesteld tussen bladerdekken van bomen en struiken, ze verblijven ook veel in heggen en hagen. Logisch, want vliegende predatoren zoals sperwers maken dan niet veel kans om ze te grijpen.

Huismussen vroeger
In mijn jeugd was de huismus nog een zeer talrijke vogel, die zowel in ons dorp maar ook rond boerderijen veel voorkwam. Vooral bij boerderijen zaten veel huis- en ringmussen. De bedrijven waren nog tamelijk kleinschalig, en de koeien werden nog met hooi gevoerd. Dat hooi was zaadrijk, want Juni was de hooimaand  dus het gras had dan al gebloeid en in het geoogste hooi zaten veel zaden. Je zag in die tijd dan ook in de maanden Juni/Juli regelmatig grote groepen huismussen, soms wel een paar honderd, samen met ringmussen, de graslanden intrekken om er rijpe graszaden te gaan vreten.
De koeien werden in de wintermaanden vnl. met hooi gevoerd. Later werd dat kuilgras, daar zaten veel minder zaden in. Het overblijfsel van hooi, wel met veel zaden van grassen en kruiden ertussen, werd in de stal opgeveegd en kwam op de mesthoop terecht, toen nog bestaande uit ruige koeien- en varkensmest. Een ideale voedingsbron voor mussen vormde die mesthopen. De meeste boeren hadden toen nog een eigen groentetuin en hielden flink wat kippen in een vrijstaand kippenhok ergens op het erf. De kippen liepen los, maar men hield ze ook wel vast. Huismussen konden probleemloos bij het voer komen door klapraampjes en deuren die overdag open stonden (zie  jeugdverhaal zonnende bosuil). Ook hield men in die tijd op de meeste boerderijen varkens. Ze werden iedere dag gemest en de mest gooide men door luiken achter de varkenshokken.  Op de mesthopen  zaten veel insecten en daar kwamen huismussen ook op af. Broedgelegenheid was er voor huismussen ruim voldoende rond de boerderijen In allerlei schuurtjes en bijbouwtjes konden ze broeden onder dakpannen en in kleine holten. En ringmussen in de vele honderden knotwilgen, toen nog aanwezig. Ook rietgedekte hooibergen waren goede broedgelegenheden voor zowel huis- als ringmussen, zo kan ik me herinneren. Op veel boerderijen langs de Steinse Dijk bij Haastrecht gingen we naar vogelnesten zoeken, waaronder ook mussennesten dus. In die tijd hadden diverse boeren nog werkpaarden. Paardenpoep was ook een ideale voedingsbron voor mussen, want er zaten nog flink wat onverteerde zaden in. Dus zag je regelmatig huismussen in hopen paardenstront spitten. Te vergelijken met de kauwtjes die nu in hondenstront zitten te spitten om de nog halfverteerde bonzobrokjes er uit te halen. Huismussen hebben als gewoonte om regelmatig een stofbad te nemen. In die tijd was veel bestrating nog half- of onverhard en zag je overal huismussen badderend tussen het stof. Veel van het hierboven opgesomde is verdwenen, en daarmee ook de talrijkheid van de huismus. Gelukkig zijn er zo hier en daar nog steeds uitzonderingen. Op die plekken zijn nog steeds een deel van de door mij beschreven situaties aanwezig. 

Huismussen nu
Hoewel de huismus nog niet echt zeldzaam is zie je er veel minder dan vroeger. In nieuwbouwwijken komen huismussen nog maar nauwelijks voor. Dat wordt in belangrijke mate veroorzaakt door een gebrek aan broedplaatsen. Veel huizen zijn gedekt met sneldek dakpannen, en die bieden geen broedplek meer aan huismus (en gierzwaluw). De wat oudere wijken hebben soms nog wel daken waar huismussen onder kunnen broeden. Toch zijn ook veel dakingangen ongeschikt gemaakt door bewoners omdat ze het niet op prijs stellen, dat er huismussen onder broeden. 

De schaalvergroting in de landbouw is voor de huismus zeer ongunstig geweest. Veel schuurtjes en kleine bijgebouwtjes zijn gesloopt om er loopstallen voor in de plaats te krijgen. Ook daarin komen huismussen tot broeden, maar het zijn er veel minder dan vroeger. Het kleinschalige is bij veel boerderijen verdwenen. Veel minder bomen, hooiwinning is zo goed als gestopt, en ervoor in de plaats gekomen is kuilgras onder plastic  waarvan de eerste snede al begin mei wordt gewonnen. Daardoor zijn er ook veel  minder gras- en kruidenzaden voor de huismus beschikbaar. Varkens worden er in het Groene Hart bij de veeboeren nauwelijks meer gehouden op een enkel hobbyvarken na. De meeste mest bestaat uit drijfmest van koeien, die wordt opgeslagen in mestputten onder de loopstallen. Ruige mest is nog maar beperkt beschikbaar. Kippen worden bij boerderijen ook amper meer gehouden, en de laatste die er waren zijn inmiddels nog zeldzamer geworden vanwege de vogelgriep-problematiek.

Gelukkig zijn er nog steeds uitzonderingen. Afgelopen week zo hier en daar rondgekeken of er nog plekken zijn waar concentraties huismussen voorkomen, en dan ook waar ze kunnen broeden. Ook in ons Groene Hart bij de Reeuwijkse Plassen nog een paar goede huismusstekjes aangetroffen. Het kan dus ook nu nog steeds. Als tenminste aan de genoemde voorwaarden wordt voldaan.

De overstap van ouderwetse hooiwinning naar kuilgras, ongunstig
voor de huismus


Huismussen hebben graag dekking. Deze prachtige heg, die ook dienst doet als natuurlijke afrastering, voldoet daar prima aan 
en ligt vlak bij een boerderij die zelfs nog een in gebruik zijnde hooiberg op het erf heeft staan. Veel van dit soort hagen zijn 
vanwege  het intensieve onderhoud dan wel door de hervormingen in de landbouw gesloopt.

Mannetjes huismus op een dak zittend dat is gedekt met oudhollandse dakpannen.

Vrouwtjes huismus


Onder het dak van deze voormalige verveenderswoning nestelden tot dat het  werd gesloopt nog een flink aantal huismussen. Ze konden goed terecht onder de oudhollandse pannen via ingangen ter hoogte van de dakgoot. De huismussen werden ook geaccepteerd door de 
bewoners. Ze hoorden er gewoon bij. Rond het huis bestond een ideaal leefklimaat voor mus- en andere vogelachtigen. Voldoende 
dekkingsmogelijkheid, tamme eenden die buiten liepen en regelmatig gevoerd werden. Ook s' winters werden de vogels flink bijgevoerd. 
De huidige moderne huizenbouw geeft veel minder gelegenheid voor huismussen om te kunnen nestelen. Onder de meeste 
sneldek dakpannen is geen plaats meer voor vogels.


Een beetje uitrusten in het zonnetje maar ook waakzaam blijven voor gevaar en mannelijke concurrenten.


Volwassen vrouwtjes huismus.

Vrouwtjes huismus en het mannetje met een verfrommeld verenkleed na het nemen van een bad.