Reservaat Stein Noord Staatsbosbeheer

Polder Stein

De polder Stein is gelegen oostelijk van Gouda tussen de Hollandsche Yssel en het Reeuwijkse Plassengebied. De oorspronkelijke ontginning van de polder liep vanaf de  Hollandsche Yssel (met een onderbreking van de Steinse Tiendweg) tot aan de huidige Twaalfmorgen zuidelijk van de Reeuwijkse Plassen. In het midden van de 19e eeuw is de polder doorsneden door de aanleg van de spoorlijn Utrecht-Rotterdam/Den Haag. Zuidelijk van de spoorlijn in Stein zijn de graslanden in particulier agrarisch gebruik en de graslanden noordelijk van de spoorlijn worden extensief beheerd  en zijn als natuurgebied  in eigendom en beheer bij Staatsbosbeheer.

Uitsnede van een topografische kaart gemaakt in opdracht van het Hoogheemraadschap van Rijnland (HHR) omstreeks 1740 met
'T LAND VAN STEYN' zoals het toen heette.

 

Op bovenstaande kaart zijn verschillende interessante details waar te nemen. Uiteraard ontbrak de spoorlijn nog. Het zuidelijke deel van de huidige Reeuwijkse Plassen was toen nog slechts ten dele verveend. Waar nu de Twaalfmorgen loopt aan de noordkant van Stein, toen 'Reewal en Wateringh' geheten lag nog een kade met de naam "Land van Steyns Kaden'. Verder zijn in de zuid-westelijke hoek van de polder  gedetailleerd te onderscheiden de voormalige boezem en het Klooster (groen) waar Erasmus een aantal jaren verbleef.


Landbouw en bedrijfsontwikkeling in het Groene Hart

Na de ontginning van het huidige Groene Hart van West-Nederland werden langs rivieren op de wat hoger gelegen stroomruggen de eerste boerderijen gebouwd. In die tijd nog hoeven genaamd. Het begrip hoeve stond voor een stuk land waar een familie van kon leven. Het woord hoeve zou afgeleid kunnen zijn van 'behoefte'. Aanvankelijk bestond zo'n  hoeve uit een grote ruimte en woonde men hier min of meer samen met het weinige vee wat men toen hield. Door inklinking van het veen kwam het land alsmaar lager te liggen waardoor het op een gegeven moment minder geschikt werd om akkerbouw te bedrijven. Samenhangend met de groei van de steden en het dalen van de natte veengrond specialiseerde de landbouw in het Groene Hart zich vanaf de 16de eeuw in veeteelt met het accent op boter en kaas productie.

 

 

 

 

Handgekleurde kaart van rond eind 16e eeuw met de voorstelling van een hofstede met twee hooibergen en een duiventil. Het gaat hier om een kaart van het landgoed Breeveld te Woerden. Het is dus aannemelijk dat het hoofdgebouw een hofstede betreft en geen hoeve. Op de kaart zijn goed herkenbaar een perceel bouwland, graslanden en boomgaard. En verder windsingels in de vorm van rijen bomen. 

Boerderijvergroting

Historische boerderijtypen vormden in het verleden belangrijke elementen in het plattelandslandschap van het Groene Hart. Maar er is veel aan het veranderen. Na de Tweede Wereldoorlog hebben boerderijen, door de ontwikkelingen in de landbouw, een meer gestandaardiseerd uiterlijk gekregen. 'Streekeigen' bouwstijlen hebben steeds meer plaats gemaakt voor meer eenvormige boerderijvormen. Nogal wat historisch belangrijke boerderijen heeft men aangepast aan de moderne agrarische ontwikkelingen of hebben hun agrarische functie verloren. De bouw van moderne loopstallen heeft daarbij het beeld van wat we voor ogen hadden van de oorspronkelijke hoeve/hofstede  ingrijpend veranderd.

Op bovenstaande foto is mooi te zien hoe de ontwikkeling van de bebouwing van een boerderij in de loop der eeuwen is gegaan. Achter de hoge bomen staat de oorspronkelijke boerderij (halsgevel) met voormalige hooiberg en daarachter een schuur waar in het verleden varkens dan wel koeien in verbleven. Westelijk van de torensilo is later de eerste loopstal met nog een schuur gebouwd waardoor men meer koeien kon gaan houden. Weer later (recentelijk) zijn er nog twee loopstallen bijgebouwd. Op dit bedrijf worden nu ca. 200 melkkoeien gehouden. Op de voorgrond een 3-tal oude geknotte essen als overblijfsel van de vroegere (uitgebreidere) erfbeplanting.

De voormalige Kloosterboerderij aan de Steinse Dijk bij Haastrecht is opnieuw opgebouwd. Achterstaand een nieuw gebouwde loopstal voor het houden van ongeveer 125-150 koeien.


Koeien de spoorlijn over

Voor de 2e wereldoorlog kwam er in de polder Stein nauwelijks vee ten noorden van de spoorlijn. Vrijwel al het grasland werd gebruikt als permanent hooiland en die percelen werden een of hooguit twee keer per jaar gemaaid. Soms weidde men na met wat jongvee. In dit deel van Stein kwam maar weinig dierlijke mest. Vandaar dat veel percelen uiterst bloemrijk waren met schraallandsoorten. Met het toenemen van het aantal stuks vee veranderde het een en ander. Men ging sommige hooilanden in het voorjaar voorweiden en wat later ging men met (steeds meer) melkkoeien de spoorlijn over naar het noordelijk deel van Stein om er te weiden. Ook de bemesting met o.a kunstmest nam toe. 

Het verkampen van melkkoeien de spoorlijn over was iedere keer weer een zenuwslopende gebeurtenis zo kan ik me nog herinneren. Er was op dit spoordeel veel treinverkeer tussen Utrecht-Rotterdam/Den Haag. Om de paar minuten kwam er een trein langs. 20-40 melkkoeien de spoorlijn over jagen moest dus heel snel gebeuren. In je eentje lukte dat uiteraard niet. Twee personen werden aangewezen om de koeien 'het rechte pad' te laten houden de spoorbaan over. Eerst goed uitkijken naar beide kanten of er geen trein vanuit de verte aan kwam rijden en dan luid schreeuwen naar degenen die de koeien op moesten jagen met de term 'hij kan'. Een derde persoon deed dan snel het hek open en nog weer een ander die de koeien als groep bijeen had gehouden joeg de koeien met veel geschreeuw richting spoorbaan. Het ging ook wel eens mis. Er zijn nog wel eens koeien doodgereden. Inmiddels wordt deze manier van koeien verkampen over het spoor niet meer toegepast.

Polder Stein Noord half mei 2017. Slootkanten vol met bloeiende gele lissen.


Fotoalbum: Polder Stein Noord


Verleden-heden                   
De ecologische kwaliteiten van de polder Stein Noord in Reeuwijk

Vegetatieontwikkelingen

Wateraardbei in een drassige oever 

Eduard van de Voo en Chris van Leeuwen zijn eigenlijk de eerste pioniers geweest die hebben geschreven over de polders rondom Haastrecht. Beide personen waren echte plantenmensen, en hun specifieke aandacht werd getrokken door de uitgestrektheid en gaafheid van de schraalgraslanden rondom het Reeuwijkse Plassengebied waaronder de polder Stein Noord. In het boekje “Tussen Lek en ronde Venen” wordt b.v. vermeld dat in de jaren veertig van de vorige eeuw zelfs nog grote aantallen harlekijnorchissen in het noordelijke deel van de polder Stein voorkwamen. En ook honderdduizenden kievitsbloemen waar deze polder zo bekend om stond. Maar ook zij moesten al constateren dat er veranderingen gaande waren, die in belangrijke mate werden veroorzaakt door landbouwkundige veranderingen.  Ook zelf heb ik nog meegemaakt dat in het Stein gedeelte wat nu reservaat van Staatsbosbeheer is grote aantallen wilde kievitsbloemen stonden. Niet in alle percelen was dit trouwens het geval. De oevers van veel slootkanten waren in het voorjaar geel gekleurd van de dotterbloemen en op natte percelen stonden ze ook gewoon in het grasland zelf. Langs de slootkanten groeiden schraallandplanten die nu zo'n beetje allemaal verdwenen zijn zoals kleine valeriaan, moeraskartelblad, spaanse ruiter, bosbies en tal van zeggesoorten waaronder blauwe-, zwarte-, ster- en zompzegge temidden van kleine veldjes veenmos. Ook margrieten waren in de hooilanden zeker niet zeldzaam. Het hooiland geurde in het voorjaar van de kruiden en het wemelde er van luid zoemende insecten kan ik me nog goed voor de geest halen. Groepjes zwarte sterns vlogen regelmatig boven die bloemrijke hooilanden druk insecten vangend. Ze broedden er ook in kolonies bestaande uit vele tientallen paren.


Wilde kievitsbloem

De graslanden in het noordelijk deel van de polder Stein zijn vanuit het verleden vooral bekend om het massaal voorkomen van
wilde kievitsbloemen  in Reeuwijk wilde tulpen genoemd. Een aantal (hooiland)percelen in de Stein (en Lang Roggebroek) zag vroeger in het voorjaar letterlijk paars-wit van de tienduizenden kievitsbloemen die er in voor kwamen. Daar is nu weinig meer van over. Er zijn nu nog maar een paar verspreide groeiplaatsen. Het beheer van Staatsbosbeheer is er speciaal op gericht om de inmiddels beschermde soort te behouden voor de toekomst.

Een dubbele kievitsbloem


Ontwikkeling oevervegetatie

In de periode dat Stein Noord nog agrarisch was werd het onderhoud van oevers wat vroeger nog in handwerk werd uitgevoerd machinaal gedaan. Dat gebeurde op veel percelen op een grove manier via het gebruik van de vijzel en slootbak. Op die manier zijn de laatste restanten van schraallandvegetaties verdwenen en kwamen daarvoor  in de plaats oevers van het type blaartrekkende boterbloem/liesgras. Ook het verslechteren van de waterkwaliteit door het inlaten van grote hoeveelheden rivierwater een aantal jaren heeft geen goed gedaan. Het slootkantbeheer dat Staatsbosbeheer nu voert gebeurt met de messenbalk en is veel minder ingrijpend. De vegetatie van oever- en waterplanten wordt afgeknipt waardoor de wortelstructuur van planten behouden blijven. Veel oevers in Stein hebben nu vegetaties van het type grote zeggen-gele lis, waarin ook dotterbloemen zich in het voorjaar weer laten zien. Of bepaalde schraallandplanten die het verleden voorkwamen zullen terugkeren is twijfelachtig. De zaadbank voor genoemde soorten is niet meer kiemkrachtig. Dat is ook de reden dat in de polder Oukoop in geplagde oevers zaden zijn ingebracht die afkomstig zijn uit schraallandreservaten  in de buurt.


Aan de linkerzijde van de foto een oever waarin veel gele lis en scherpe zegge groeit. De bruine kleur is veldzuring.


Koeien in de wei, fraaie oevers begroeid met o.a. gele lis en grasland van het gestreepte witboltype in de polder Stein Noord.
Foto: 13 juni 2013


Toename  planten: storing/ruigtesoorten

Veel graslanden in Stein Noord behoorden in het verleden vegetatiekundig bekeken tot het  grote vossestaarttype. In dat type floreerde de wilde kievitsbloem. Slechts op een enkel perceel komt dit graslandtype ook nu nog voor, maar minder goed ontwikkeld. Daarvoor in de plaats gekomen hebben veel percelen zich ontwikkeld naar het veldzuring-gestreepte witboltype waarin steeds meer plantensoorten zijn verschenen die in de landbouw als ongewenst te boek staan. Het gaat om soorten als pitrus, fluitenkruid, ridder- en krulzuring (in de streek hardijzers genoemd), koolzaad, akkerdistel en brandnetels. Ook de kale jonker  en paarse dovenetel, die op een paar percelen massaal groeien en zo'n beetje  de volledige grasmat hebben verdrongen, worden hier als storingssoorten ervaren. De oppervlakte aan fluitenkruid breidt zich steeds verder uit. Het is nu voorjaar 2019 en t.o.v. 2013, het jaar waarin een uitgebreide fotorapportage is gemaakt over het fluitenkruidprobleem, heeft deze plantensoortensoort zich alleen maar verder uitgebreid. Geschat wordt dat inmiddels 1/3e deel van het reservaat is begroeid met fluitenkruid. Er is een vogelsoort die daar van profiteert, en dat is de (zomer)brandgans waarvan een kolonie van enkele honderden exemplaren sinds enkele jaren tussen de fluitenkruid is gaan broeden. Voor de weidevogels (grutto, kievit, tureluur en scholekster) is de hoog opgaande vegetatie van fluitenkruid ongunstig, waardoor de  geschikte oppervlakte broedbiotoop flink is gekrompen. 

Fotoalbum: Ruigte/storingssoorten planten zoals fluitenkruid


Broedvogels
Zwarte stern en krabbenscheer

Zwarte stern op insectenjacht

Krabbenscheer was vroeger in de polder Stein Noord heel gewoon Veel sloten in het deel van Stein ten noorden van de spoorlijn waren bijna helemaal dichtgegroeid met deze waterplant. De zwarte stern was een algemene broedvogel die hier en daar in kolonies op de krabbenscheervegetaties broedden. Een mooi voorbeeld kan daarvan worden aangehaald. Ik bezocht zo rond 1956, ik was toen tien jaar oud, liep in een graslandperceel en werd aangevallen door alarmerende zwarte sterns. Het slootje waarin de kolonie huisde was niet erg breed en bij het aflopen van een deel van het perceel kon ik de nesten die op krabbenscheer lagen goed tellen. Bij 75 nesten ben ik gestopt, herinner ik me nog, want toen begon de lol van het tellen eraf te gaan en werd ik het gekrijs en de aanvallen op mijn hoofd zat. Er lagen nog meer nesten, maar hoeveel blijft de vraag. Bij ons was bekend dat dit niet de enige kolonie was in de polder. De zwarte stern is in de loop der jaren geleidelijk afgenomen en broedt nu helemaal niet meer in de polder Stein. 


Ook de reservaatvorming met aankoop en beheer door Staatsbosbeheer, alsmede het neerleggen van vlotjes in het midden van de jaren 80, heeft niet geleid tot de terugkeer van zwarte sterns naar Stein. Er zijn nu nog maar een of twee sloten waar de waterplant voorkomt. De belangrijkste oorzaak voor de afname van krabbenscheer is geweest de inlaat van grote hoeveelheden gebiedsvreemd water uit de Hollandse Yssel. Soms leek het ingelaten water wel op karnemelkse pap. Grote aantallen vissen gingen door de slechte kwaliteit van het water na het binnenlaten gelijk dood. Het regelmatig uitbaggeren van veensloten en een goede waterkwaliteit zijn belangrijke randvoorwaarden voor de aanwezigheid of ontbreken van krabbenscheer.


Zomertaling en slobeend

In de 60er jaren was de zomertaling een algemene broedvogel in het noordelijke deel van Stein. In die periode kwam je wel om de paar sloten een wakende woerd of een paartje tegen. Vroeg in het seizoen man en vrouw tezamen en wat later alleen de mannetjes. Nog weer later in het broedseizoen verschenen de vrouwtjes zomertaling dan weer met pulli in de sloten. Het aantal paren is in de loop der jaren geleidelijk aan afgenomen en de laatste jaren schommelt het aantal  paren hooguit rond de 1-2 stuks.

Slobeenden daarentegen waren vroeger in Stein Noord veel minder talrijk dan nu het geval is. Nu zijn dat jaarlijks tussen de 15-20 paartjes. Om van deze eendensoort meer exemplaren (en nesten) te zien moest je naar de polder Boven Haastrecht gaan in de Lopikerwaard zuidelijk van het dorp Haastrecht. In de omgeving van de voormalige Benschopper Boezem kwamen ze in behoorlijke aantallen voor en een nest vinden was niet zo moeilijk, zeker niet als je de oostelijke kade langs de Boezem, toen in gebruik als laat gemaaid hooiland, afliep. Het gras op deze wat hoger gelegen kade was pollerig, precies geschikt voor slobeenden om er in te nestelen. De loopsporen verraadden ons waar een nest moest liggen. We hebben er heel wat nesten van slobben (en zomertalingen) aangetroffen.

Man zomertaling

                                                                                                                                                                          Slobeend vrouw


Kievit en tureluur

Kievit op het nest tussen de bloemetjes van de kleine veldkers.

 

Beide soorten waren in de jaren 60 in het ten noorden van de spoorlijn gelegen deel van Stein schaarse broedvogels. De kievit heeft zich goed aangepast aan de veranderende landbouw. Steeds meer permanente hooilanden werden omgezet naar wisselweiden, werden intensiever bemest en daarmee nam het aantal kieviten flink toe. 

De tureluur is nooit algemeen geweest in Stein. De soort ontbrak volledig in de zestiger jaren. Inmiddels is de waterstand in het gebied van Staatsbosbeheer flink verhoogd naar reservaatspeil. De polder wordt periodiek aangevuld met voedselrijk water wat een wat hoger chloridegehalte heeft (gunstig voor tureluurs). Het aantal paartjes tureluur is fors toegenomen en varieert nu tussen de 10-14 stuks.       


Tureluur wakend over de kuikens


Gele kwikstaart

Gele kwikken waren ook al in de jaren 60 erg schaars maar ieder jaar broedden er wel een paar stelletjes. In de broedtijd kwamen we ze alarmerend tegen en ook hebben we ooit een nestvondst gedaan in de polder Lang Roggebroek in het 'schrale' van Jo Nap waar in het voorjaar veel kievitsbloemen voorkwamen. Tegenwoordig broeden er geen gele kwikken meer in Stein. Ze worden in het voor- en najaar wel waargenomen, maar het gaat dan om doortrekkers.


Grutto

Hoewel het aantal broedende grutto’s in het verleden (zestiger jaren) wel wat hoger was dan tegenwoordig  is de polder Stein nooit een heel goede gruttopolder geweest. Daar was, zeker in het deel ten noorden van de spoorlijn, de bodem te voedselarm voor. Er is jammer genoeg geen kwantitatief beeld te geven over grutto-aantallen in die periode, maar er kan wel iets gezegd worden over de terreincondities voor deze soort (en andere weidevogels), die in de loop der jaren nogal gewijzigd zijn.  Het volgende verhaal is daar illustratief voor: Op een hooilandperceel in Stein Noord kwamen nog tot in het midden van de zestiger jaren ieder jaar tienduizenden  wilde kievitsbloemen in bloei. Op 16 april 1998 werden op dit perceel door amateur-ornitholoog Rien van Straaten de laatste 12 bloeiende exemplaren geteld. Sinds het begin van de negentiger jaren van de vorige eeuw is dit perceel bij Staatsbosbeheer in eigendom en beheer. Over de geschiedenis van dit perceel is veel bekend, ook over het voorkomen van grutto's, en dan vanaf de periode waarin de gebroeders Blok het beheer voerden dat als zeer extensief  bestempeld mag worden. Het betreft de jaren zestig tot het midden van de zeventiger jaren. Een belangrijk kenmerk van het hooilandperceel was de vegetatiestructuur. Pollerig met veel ruwe smele en een overwegend kort blijvende grasmat met veel bloemen erin, vooral pinksterbloemen en hier en daar verspreid staande pollen dotters. In het hooilandperceel stonden elk voorjaar dus vele duizenden kievitsbloemen in bloei. De oevers en greppels vormden een lang geel lint van dotters. Weidevogels waren toen nog veel algemener dan nu het geval is, maar de vondst van een 25-30 tal gruttonesten op dit ene perceel was ook in het midden van de jaren zestig voor ons een grote bijzonderheid, temeer omdat alle nesten gelegen waren in en soms op pollen ruwe smele. De nesten lagen wat hoger t.o.v. het grasland en dit kwam omdat de breed uitstoelende pollen wat hoger boven het maaiveld uitstaken. Voor grutto's was dit blijkbaar aantrekkelijk want daardoor kwamen de nesten ook wat hoger te liggen, 'hoog en droog" dus. De vestiging van de gruttokolonie op dit perceel duurde overigens maar een broedseizoen.


Grutto en speenkruid in bloei

Gruttonest ditmaal niet gebouwd in een pol ruwe smele maar nu in een pol pitrus


Ruwe smele was (en is) bij boeren een ongewenste grassoort, welke door de gebroeders Blok regelmatig werd uitgestoken met een secschop (sec is de lokale (Reeuwijkse?) naam voor smele). Ook gebruikten zij wel ter bestrijding van die genoemde smele landbouwzout, dat op de pollen werd gestrooid, die dan doodgingen. Omstreeks 1975 stopte de laatst overgebleven Blok met boeren en het bedrijf werd overgenomen door een andere boer. De “nieuw” aangepaste bedrijfsvoering van deze jonge boer zorgde al snel voor een forse afname van het aantal bloeiende kievitsbloemen. Voorbeweiding i.p.v. hooiland met extensief nabeweiden, een verhoogde mestgift en een hogere veebezetting waren de belangrijkste oorzaken van afname. Daarbij vormde ook de laaggehouden grondwaterstand in Stein een ongunstige factor. De afname ging zover door, dat er geen kievitsbloemen meer op het perceel werden gesignaleerd. In het begin van de negentiger jaren werd door SBB een aantal graslandpercelen verworven waaronder ook dit perceel. Dit gebeurde door uitruil van gronden voor de spoorlijn gelegen. Het voor de kievitsbloem noodzakelijke hooilandbeheer met extensieve mestgift en extensieve beweiding gaf al snel resultaat met een kleine opleving van het aantal wilde  kievitsbloemen. Dat waren de eerder genoemde 12 exemplaren geteld door Rien van Straaten in 1998. Jammer genoeg bleek dit een tijdelijke opleving te zijn. De soort is ook op dit perceel inmiddels definitief verdwenen.



Grutto's in het vroege voorjaar bij de plasdras in de polder Stein


Veldleeuwerik en graspieper

Wat waren ze vroeger algemeen in de polder Stein en het gehele Groene Hart van West-Nederland, deze twee kleine weidevogelsoorten. Beide zijn dramatisch in aantal afgenomen. Elk voorjaar was het weer een feest om het concert van zingende veldleeuweriken boven je hoofd aan te horen. Een nestje van deze vogelsoort vinden was niet zo moeilijk, zeker niet als je ging zoeken wanneer het motregende, want dan dan bleven ze lang op het nest zitten en vlogen pal voor je voeten weg. Graspiepers waren wat bescheidener met hun zang, deze vogelsoort manifesteerde zich wat meer met hun opvallend alarmerend gedrag als er jongen waren. De graspieper is in de polder Stein en andere polders rondom de Reeuwijkse Plassen inmiddels vrijwel volledig verdwenen. De veldleeuwerik is in het reservaatgedeelte van Stein met nog enkele paartjes aanwezig maar de toekomst ervan ziet er niet goed uit. Op de grens van de polders Stein/Lang Roggebroek trachten een of twee paartjes veldleeuweriken hun gezang de laatste jaren nog vol te houden maar ook dit lijkt een kwestie van tijd te zijn. Bestaat er nog een kans dat deze soorten zich kunnen herstellen? Op korte termijn is dat zeker niet te verwachten. Dat kan alleen, als de bestaande graslanden op termijn weer net zo bloemrijk zullen worden als vroeger en pas laat in het voorjaar gemaaid worden. De recent ingestelde (hogere) grondwaterstand in Stein Noord maakt onderdeel uit van de plannen van Staatsbosbeheer om weer bloemrijk grasland terug te krijgen.

Alarmerende graspieper zittend op een afrasteringdraad langs een graslandperceel.


Veldleeuwerik wakend op een ouderwets landhek


                                                          Wintervogels in polder Stein Noord
Kleine zwaan

Kleine zwanen

 

 


Kleine zwanen ontbraken in de 60er jaren volledig in de polder Stein Noord.  Een aantal jaren hebben flinke aantallen kleine zwanen (met een absoluut maximum van 720 stuks) het noordelijk deel van Stein gebruikt als overwinteringgebied. Maar inmiddels laten kleine zwanen de polder Stein volledig links liggen. De laatste vijf jaar zijn er (op een uitzondering na) geen kleine zwanen meer in de winterperiode in Stein Noord gesignaleerd.


Smient

 

Kleine aantallen smienten gingen vanaf het eind van de 60er jaren de polder Stein gebruiken als foerageergebied. Voor die tijd zag je nooit smienten in de polde Stein Noord. Na de onderwaterzetting van de voormalige Polder Broekvelden in 1970 is het aantal smienten in de graslandpolders rond het Reeuwijkse Plassen  steeds verder toegenomen. Ook de toename van eiwitrijke grassen in graslanden door de intensivering in de landbouw is onderdeel geweest van het succes van de smient. De aantallen smienten in de polder Stein Noord kunnen van dag tot dag sterk wisselen. In het najaar/winter zijn er dagen dat er zo'n 4000-7500 exemplaren in de polder Stein Noord verblijven.

                                                                                                                                Smientenpaar zittend op het ijs.


Winterganzen en zomerganzen

Vanoudsher kwamen in de polder Stein Noord in de wintermaanden nauwelijks ganzen voor.  Soms verbleven er kleine groepjes rietganzen, maar dat was meer een zeldzaamheid. Alleen als het streng winterde en er in het noorden en zuiden van Nederland een sneeuwlaag lag gebeurde het wel dat er grote groepen kolganzen en brandganzen een paar dagen de polder bezochten. In het begin van de jaren 80 kwam daar verandering in. Toen verschenen in de winterperiode steeds meer ganzen, vooral bestaande uit kol- en brandganzen. Rond 1990 begonnen de eerste grauwe ganzen en brandganzen in Reeuwijk te broeden en toen ontstond de term zomer- en winterganzen. Zomerganzen zijn dus ganzen die het gehele jaar in het gebied verblijven en er ook broeden. Winterganzen zijn ganzen die alleen in de winterperiode aanwezig zijn en elders (in Noord-Europa) broeden.
De aantallen zomerganzen van de soorten grauwe gans en brandgans zijn in Reeuwijk en geheel Nederland als broedvogel enorm toegenomen. Er wordt nu van alles aan gedaan om die aantallen naar beneden te krijgen. o.a. via het bejagen, het prikken van eieren en soms zelfs via vergassen .

Maar ook de aantallen winterganzen in Reeuwijk zijn enorm toegenomen. Vooral kolganzen en brandganzen concentreren zich in de polder Stein Noord, Lang Roggebroek en Oukoop in de wintermaanden. Het gaat om aantallen tussen de 5000-10000 exemplaren.


Massaal verblijf  (winter)brand- en kolganzen tijdens en na de vriesperiode 23 februari - 4 maart 2018 in en rond de polders Stein Noord/Lang Roggebroek in Reeuwijk

Naast de honderden (zomer)brandganzen, die in en rond de Reeuwijkse Plassen broeden, pleisteren  er de laatste jaren ook steeds meer echte (winter)brandganzen in polders rond de Reeuwijkse Plassen. Vooral de polders Stein Noord. Lang Roggebroek en Oukoop zijn daarbij favoriet. Maar grote groepen worden in de winterperiode ook steeds meer aangetroffen in polders waar ze enkele jaren geleden niet of nauwelijks werden waargenomen. Tijdens en tot een paar dagen na de vorstperiode tussen 23 februari en 3 maart 2018 concentreerden grote aantallen brand- en kolganzen zich in de polders Lang Roggebroek en Oukoop.


Veel onrust in de polder Lang Roggebroek op 5 maart 2018 door een overvliegende helikopter. De ongeveer 5000 in de polder verblijvende kol- en brandganzen gingen massaal op de vleugels en draaiden een paar rondjes boven dit polderdeel om vervolgens weer in te vallen.
Dit is slechts een deel van de vogels.


Invallende kol- en brandganzen na een verstoring door een helikopter. Foto: 5 maart 2018.


Een deel van de ca. 3200 kolganzen en 2000 brandganzen die op 5 maart 2018 in de polder Lang Roggebroek verbleven.
Ook in de polder Oukoop zaten grote aantallen brandganzen. Hier telde ik twee grote groepen bestaande uit ca. 4500 exemplaren.
Foto: 5 maart 2018.


Op 6 maart 2018 zaten er in Lang Roggebroek maar liefst een kleine 6000 brandganzen op een totaal van ruim 8000 ganzen.
De polder zag letterlijk zwart-wit van de ganzen. Op de foto een deel van de ganzen.


Overzicht op een klein deel van de kol- en brandganzen in de polder Lang Roggebroek. Foto: 5 maart 2018.